Twitter logo Linkedin logo Pinterest logo
Logo Stichting Living Daylights
Plaatsingsdatum
29 april 2014
Gerelateerde artikelen

Rondetafel: Licht vraagt om integrale benadering

In deze door Duurzaam Gebouwd gehouden discussie staat daglicht centraal. Een rondetafel met Jenkse Kooistra (zie foto), Gied van Hoorn, Atto Harsta, René Driessen en Johan Galiart.

 

De invloed van daglicht op het welzijn van bijvoorbeeld ouderen of de productiviteit van werknemers raakt steeds beter bekend. Daarnaast is er geen energiezuiniger product dan daglicht. Tegelijkertijd worden bestaande ‘lichtproducten’ steeds energiezuiniger en slimmer.

 

Hoe reageert de markt hier op? Zien de producenten van bijvoorbeeld armaturen en verlichtingsbronnen het daglicht als een vervelende concurrent of biedt het juist ook kansen? En wat te denken van de bedrijven die zich richten op klimaatbeheersystemen en geveltechnieken? De kennis is versnipperd en dat belemmert het klantgericht, duurzaam en energiezuinig denken. Willen we daar verandering in brengen dan moeten partijen in de bouwkolom beter met elkaar samenwerken. “We moeten op zoek naar echte integrale oplossingen.”

 

Dat was de conclusie aan het eind van het Ronde Tafelgesprek onder leiding van oud-hoofdredacteur Jan van den Broek. Het onderwerp: Kunnen kunstlicht, daglicht en geveltechnieken samen door één deur?

Om tafel: Jenkse Kooistra branchemanager bij de Nederlandse Lichtassociatie (NLA); Gied van Hoorn, bestuurslid NLA; Atto Harsta, directeur Living Daylights, bestuurder bij Active House en als zodanig ook vertegenwoordiger van VELUX Nederland; René Driessen, manager bij OSRAM Benelux en Johan Galiart, sales engineer bij Zumtobel.

 

Hokjesdenken

“De waarde van kunstlicht is steeds beter bekend in de keten. De positieve invloed op de gezondheid, de energie- en dus kostenbesparing hoeven steeds minder te worden uitgelegd”, trapt Kooistra af. “Tot voor kort werden kunst- en daglichtvormen tegenover elkaar gezet. Ik zie beide vormen liever als aanvullend. Als NLA zien wij het belang van een goede balans tussen dag- en kunstlicht. Door de vele ontwikkelingen en innovaties op het gebied van kunstlicht liggen daar enorm veel kansen. Denk daarbij aan energiebesparing en de positieve invloed op welzijn en veiligheid.”

 

Ook al praat NLA over ‘aanvullend’, Atto Harsta ziet nog altijd twee groepen. “De brancheorganisaties hebben zelf twee afzonderlijke sectoren in het leven geroepen: één voor kunstlicht en een daglichtsector. Je zet ze daarmee tegenover elkaar, terwijl ze elkaar moeten aanvullen.” “En vergeet daarbij niet de partijen die zich bezighouden met gebouwbeheersystemen”, vult Galiart aan. “Ik herken dat hokjesdenken. Daar moeten we van af. Toch zie ik wel dat er een kentering gaande is. Als lichtfabrikant schuiven wij steeds vaker en eerder aan tafel bij de ontwerper of de architect. De goede partijen kijken verder.”

 

Integraler

Hoe kan het dat daglicht, kunstlicht en gevel nog steeds niet in evenwicht zijn en nog altijd tegenover elkaar worden gezet in plaats van dat ze elkaar aanvullen?

Harsta wijst naar de architectenopleidingen. “Licht is een primaire bouwsteen voor de architectuur, maar bij de studie is de aandacht voor daglicht minimaal. Licht blijft het ondergeschoven kindje, daar komt heel langzaam verandering in. Neem de utiliteitsbouw. Daar zie je veel glas en dus licht. Probleem is echter de energiehuishouding. Die is daar dan weer niet goed op afgestemd. Bijkomend probleem is dat de fabrikant – en zeker ook de e-installateur – altijd te laat komen met hun verhaal, simpelweg omdat hen niets wordt gevraagd.”

 

Van Hoorn herkent wat Harsta zegt, maar vraagt zich tegelijkertijd af of dat moet veranderen. “De installateur komt in beeld op het moment dat de architect de tekening klaar heeft. Op dat moment begint onze invloed. Ik denk dat wij onze toegevoegde waarde vooral moeten zoeken in het leveren van bijvoorbeeld een duurzaam verlichtingsplan. Daar ligt onze kracht. Neemt niet weg dat de samenwerking tussen de verschillende partijen wel beter kan”, zegt Van Hoorn.

 

René Driessen wijst daarbij ook graag naar de rol van de gebruiker: “Als de huurder begrijpt dat een goed gebouw het welzijn van zijn mensen bevordert en dus de productiviteit doet toenemen of minder klachten oplevert, zou hij eerder en dwingender zijn eisen op tafel leggen.”

 

Ook Van Hoorn wil meer invloed van de gebruikerskant. “De belegger praat niet over het welzijn en de gebouwgebruiker heeft gebrek aan kennis. Als het gebouw aan de normen voldoet stelt hij vervolgens geen vragen. ‘Dan zal het wel goed zijn’. Ik ben het dus eens met Driessen: de gebouwgebruiker moet een belangrijkere plek in het geheel krijgen. Hij moet dan wel kennis van zaken hebben en weten waarover hij praat. Dan krijg je een heel ander gebouw.”

 

Advies

Ook al is er behoefte aan ketenintegratie, ook de verschillende partijen moeten blijven kijken waar ze zich kunnen verbeteren. Kooistra: “Weinig partijen weten dat 20 procent of meer van het totale energieverbruik in de kantorenmarkt opgaat aan verlichting. Naast het kijken naar de mogelijkheden van daglicht kun je ook veel winst boeken door energiezuiniger verlichting te installeren. Ook dat heeft te maken met bewustwording.”

 

Ook Driessen pleit voor bewustwording, waarbij plek is voor het totaalplaatje. “Een goed advies is een combinatie van verkoop van kunstmatig licht en besturingsintelligentie, waarbij rekening wordt gehouden met daglichtinval. Het levert de leverancier/installateur meer omzet en de klant een optimale installatie die energiebewust is en comfortabel in gebruik en beleving.” Galiart sluit zich aan bij de woorden van Driessen. “En in dat advies moet je het totale plaatje weergeven. Een goed advies is meer waard dan één keer een project verkopen. Eén keer scoren is niet voldoende.”

Tekst: Gerrit Tenkink

Foto’s: ErronFotografie

 

Met dank aan www.duurzaamgebouwd.nl voor het beschikbaar stellen van tekst en fotografie.

 

Fotobijschrift

Foto 1 Jenkse Kooistra branchemanager bij de Nederlandse Lichtassociatie (NLA).