Daglicht in musea

Geplaatst op 30 maart 2010 door Erwin van Veldhoven
Laatst gewijzigd op 12 mei 2010
In musea is licht van enorme waarde; het maakt of breekt een kunstwerk. Een absolute constatering, tevens subjectief. Een symposium over dit onderwerp bracht interessante conclusies aan het licht.

Daglicht in musea: zorg of zegen

Voorheen was daglicht in museumzalen vanzelfsprekend. De oude musea zijn ontworpen als daglichtmusea. In deze tijd waarin energiebronnen schaarser worden is het gebruik van daglicht als natuurlijk aanwezige bron heel belangrijk. Daarnaast brengt de diversiteit van het daglicht het gebouw tot leven. Op geen moment is het daglicht hetzelfde. Kleur, helderheid en intensiteit veranderen voortdurend, waardoor de beleving van het tentoongestelde verandert. Vanuit de kunstliefhebber blijft de vraag of we het kunstwerk zien zoals bedacht als we het niet in dezelfde kleurschakering van het (dag)licht aanschouwen.

Er zijn verschillende manieren van binnen halen van daglicht te onderscheiden. In het Gemeentemuseum in Den Haag zijn de ruimten geordend rondom een binnentuin. De binnentuin is onderdeel van de expositie en zorgt voor licht, lucht en ruimte in het gebouw. Het museum is hiermee naar binnen gekeerd en afgesloten van de buitenwereld.

Een ander type museum is de oudbouw van het Stedelijk museum te Amsterdam en ook het Boijmans van Beuningen te Rotterdam. Bij dit type wordt daglicht naar binnen gehaald door grote hoge ramen. Door deze ramen is de kunst niet geisoleerd van de maatschappij. Het uitzicht is onderdeel van de route in het museum.

Een derde te onderschiede type zijn musea met daklichten. Hierdoor komt relatief veel neutraal licht binnen. Door middel van doeken of lamellen is dit licht extra te regelen en neutraliseren. Bij dit type musea komt wel degelijk daglicht binnen, maar de bezoeker en de kunst zijn in een isolement van de buitenwereld geplaatst.

Het Teylersmuseum in Haarlem is schoolvoorbeeld wat betreft een daglichtmuseum, waar nauwelijks verlichting in de zalen hangt, en alles wordt verlicht door daglicht. In de verschillende zalen komt door daklichten direct daglicht binnen. “Ons museum wordt steeds meer een bezienswaardigheid op zich”, vertelt Scharloo, directeur van het Teylersmuseum. “Het feit dat we in de zalen geen gebruik maken van kunstlicht is alleen al een bijzondere ervaring.”

Een extreem voorbeeld van daglicht in musea is het werk van James Turrell. Deze kunstenaar die installaties maakt met licht, heeft in verschillende musea een daklicht geplaatst waar de verschillende kleuren van het daglicht en de verkleuring van de hemel met zons-op en -ondergang versterkt zichtbaar is.

Door verschillende invloeden wordt tegenwoordig vaak daglicht in musea geweerd. Daar waar geen openingen in de gevel worden geplaatst meer m2 meter voor kunst. Daarnaast is voor bijvoorbeeld nieuwere kunstvormen als video-kunst daglicht ongewenst. Een belangrijke inbreng in de discussie rondom daglicht in musea zijn de eisen van de verzekeraars. In een artikel van Rienk Visser in het TVVL magazine wordt aan een kunstwerk een periode vastgesteld waarin 1jwv (juist waarneembare verandering) mag optreden. Eisen waardoor luchtvochtigheid en temperatuur zo constant mogelijk moeten zijn in musea.

Verschillende kunst kan meer of minder licht verdragen. Zo is een beeldenmuseum zoals het museum in Den Haag een typisch museum waar daglicht en buitenlucht makkelijk te combineeren zijn met de tentoongestelde collectie. Niet alle museum directeuren vrezen daglicht; de directeur van de Twentsewelle in Enschede is beslist niet tegen daglicht in musea zolang het wel regelbaar is. Zodat bij verschillende exposities verschillende maten van daglicht gebruikt kunnen worden.

Kunstenaars en architecten ontwerpen het kunstwerk en/of de ruimte met de invloed van het licht. Door de diversiteit van daglicht wordt het gebouw en kunst voor de bezoeker dynamisch.

Ideaal zijn musea met grote ruimten met direct daglicht zoals in de Kunsthal in Rotterdam en De Pont in Tilburg, waar gewenst kleinere ruimten (eventueel afgeschieden) in geplaatst kunnen worden.

Daglicht wordt om verschillende redenen niet gewenst in musea;

-       conserveren van de kunst
-       moderne kunst vormen (video kunst)
-       afzondering gewone leven
-       meer m2 wandoppervlak
-       klimaatbeheersing

Daglicht is essentieel in musea:

-       kunst zien in het licht waarin het gemaakt is
-       geen afzondering van de buiten wereld
-       gebruik maken van een duurzame en gratis lichtbron
-       beter werkomstandigheden werknemers

Voorbeelden
In het net opgeleverde moderne kunst museum in Oostenrijk ontworpen door Querkraft zijn de expositieruimten alleen verlicht door daglicht. De industrieel Herbert W. Liaunig exposeert hier zijn grote kunst- en goudcollectie. Het museum is voor een groot deel ondergronds, het volgt de topografie van het landschap. De entree zit deels verscholen in het landschap. Deze leidt de bezoeker naar een 600 m2 presentatiedepot. Vervolgens komt de bezoeker in de expositieruimte voor beelden en schilderijen. Deze lange balkvormig volume is duidelijk zichtbaar van buiten af en een opvallend element in het landschap.

Opvallend is dat in de tentoonstellingsruimten helemaal geen verlichtingsarmatuur is opgenomen, waardoor het gebouw in dat opzicht energiezuinig is. In het dak zijn stroken opgenomen, waardoor diffuus naturlijk licht binnenkomt zoals het gewenst is om de kunst goed te bekijken. Het complex bestaat verder uit een foyer, een ondergrondse zaal voor grafische kunst en een kleinere ruimte voor de goudcollectie.

Op de kopse kanten van het balk zijn terassen, waarvan een spectaculaire uitkraging boven een snelweg is. De expositieruimte is hier open naar het landschap, zodat er wel een interactie tussen interieur en exterieur ontstaat. Zo ontstaat er een unieke synthese tussen kunst, architectuur, natuur en daglicht. [JL]

Kunstlicht is geen Kunst

De bijeenkomst “Daglicht in Musea: kunstlicht is geen Kunst”, begin 2009, stond volledig in het teken van de bepalende rol van daglicht in musea. Het spanningsveld tussen conservatie van stukken en een optimale, natuurlijke beleving voor de bezoeker vormde een centraal thema.

Het gebruik van daglicht blijkt sterk afhankelijk van het type collectie en de permanente of tijdelijke aard hiervan. Een kunstmuseum kan over het algemeen heel wat daglicht verdragen, mits er aanpassingen zijn voor kwetsbare objecten. Bij musea met andere verzamelingen spreken objecten niet altijd voor zichzelf. Kunstlicht, filmpjes en andere interactieve middelen worden aangewend om een context te creëren. Dit voedt de wens om daglicht wel eens “uit te kunnen zetten”: reguleerbaarheid is een vereiste. Daglicht (en daarmee uitzicht) wordt wel erkend als een natuurlijk oriëntatiemiddel voor bezoekers.

De voorwaarden vanuit het bouwproces bij renovatie of nieuwbouw zijn zeer verschillend. Een betere definiëring van de ambities draagt bij aan de kwaliteit van dag- en kunstlicht in musea. Bevlogen opdrachtgevers maken het verschil.

Share this