Twitter logo Linkedin logo Pinterest logo
Logo Stichting Living Daylights

‘Bouwbesluit is geen wondermiddel voor goede daglichttoetreding’

Geplaatst op: 10 maart 2014

Een verblijfsruimte waar te weinig daglicht binnenkomt is ongezond voor mensen. Daarom geeft het Bouwbesluit aan hoe groot de daglichtprestatie minimaal moet zijn. Per 1 april 2012 is de bepalingsmethode van de vereiste daglichttoetreding veranderd. Toch moeten we die nieuwe norm niet als een universeel wondermiddel zien, meent bouwfysicus William Veldman.

 

In de vergaderruimte van het kantoor van advies- en ingenieursbureau LBP|SIGHT in Nieuwegein, dringt tussen de lamellen van de zonwering af en toe de schittering van een laag herfstzonnetje naar binnen. William Veldman zit met zijn rug naar het enige raam en schikt zijn papieren die hij op de grote ovale tafel heeft neergelegd. De spots in het plafond zetten de vergaderruimte in een gelijkmatig, gedempt licht. Het is duidelijk dat men hier bewust omgaat met verlichting… en met daglichttoetreding.

 

Dat geldt in het bijzonder voor ingenieur William Veldman, gespecialiseerd deskundige op het gebied van daglichttoetreding. Hij was twee jaar geleden als lid van de werkgroep ‘Daglichtopeningen’ direct betrokken bij de vernieuwing van de NEN 2057, de norm waarnaar het Bouwbesluit 2012 verwijst voor de bepalingsmethode voor de daglichttoetreding in nieuwe gebouwen. Op verzoek blikt hij terug op de motieven voor de update van deze norm. En hij plaatst enkele kanttekeningen bij het gebruik van de nieuwe norm.


Welke zijn de belangrijkste vernieuwingen van NEN 2057: 2011?
Al een aantal jaren worden isolatiepakketten van gevels steeds zwaarder uitgevoerd.verplaatst van de buitenkant van de gevel naar de binnenkant. Dit heeft tot gevolg dat voor onbelemmerde situaties iets meer glasoppervlakte nodig is om te voldoen aan de eisen voor daglichttoetreding van het Bouwbesluit.”

 

Door aanpassing van de belemmeringsfactoren zijn belemmerde situaties die met de nieuwe norm zijn berekend, in het algemeen wel gunstiger geworden., meent Veldman. “Verder is het gebied vergroot waarbinnen de belemmeringen die zich vóór de lichtdoorlaat bevinden meegenomen moeten worden in de berekening. Op deze wijze wordt meer rekening gehouden met zijdelingse belemmeringen.”

 

Veldman: “Ook geeft de vernieuwde NEN 2057 nu een inzichtelijke en uniforme aanpak van de berekening van de daglichttoetreding van erkers, dakramen en dakkapellen. Dat was beslist nodig. De nieuwe berekeningsmethode maakt het gemakkelijker om zolders met dakramen om te bouwen tot volwaardige verblijfsruimten. Bij dakramen ligt nu het projectievlak in de helling van het dakvlak en voor de berekening van de daglichttoetreding telt de hoogte van een dakraam vanaf een hoogte van 1,2 meter volledig mee. Daarnaast is aan de nieuwe norm een uitgebreide rekenmethode toegevoegd. Daarmee kan voor niet-standaardsituaties met een computersimulatie de belemmeringsfactor worden berekend. Waar in het verleden veel adviesbureaus voor deze situaties een eigen methode volgde, is er nu sprake van een eenduidige rekenmethode.”


Houdt de huidige berekening van daglichttoetreding ook rekening met het soort licht, met de lichtintensiteit en met de stand van de zon?
Veldman: “NEN 2057 zegt met name iets over de hoeveelheid daglicht dat op een raam valt. Dat is vertaald in de zogeheten equivalente daglichtoppervlakte, uitgedrukt in vierkante meters. In daglichtberekeningen wordt uitgegaan van een standaard bewolkte hemelkoepel. Er wordt daarom geen rekening gehouden met direct zonlicht, waardoor de oriëntatie van de daglichtopeningen in de berekening geen rol speelt.”

 

In werkelijkheid is direct zonlicht uiteraard wel van invloed op de totale daglichtbeleving, vertelt Veldman: “Het toepassen van een goede regeling voor de gebruiker is daarom erg belangrijk. Hiermee wordt voorkomen dat veel daglicht in een ruimte juist averechts werkt en daardoor de kunstverlichting aangaat. In enkele projecten hebben we ter plaatse van de zuidelijke gevels lichtplanken toegepast om het directe zonlicht nuttig te gebruiken zonder dat dit tot verblinding en comfortproblemen leidt.”

 

Welke rol speelt het glas bij de daglichttoetreding?

Veldman: “Voor daglichttoetreding is de zogeheten LTA-waarde van het glas van belang. Hoe hoger deze waarde hoe meer licht er via het glas wordt doorgelaten. In de nieuwe norm is hiermee rekening gehouden door een factor te introduceren die voor glas met een lage LTA-waarde tot een lagere equivalente daglichtoppervlakte leidt. Helaas is deze factor door de overheid buitenspel gezet, zodat ieder type beglazing in het projectievlak  volgens het Bouwbesluit op gelijke wijze wordt behandeld.”

 

Een goede daglichtsituatie in een ruimte kan leiden tot energiebesparing voor verlichting, mits de schakeling van de kunstverlichting hierop wordt afgestemd, meent Veldman: “Naast daglichttoetreding zijn ook andere factoren van invloed op het ontwerp van de daglichtopeningen. Zo kunnen grote glasoppervlakken in de zomer tot oververhitting leiden, maar er kunnen ook problemen ontstaan op het gebied van geluidwering van de gevel of thermisch comfort voor de gebruiker. De grootte en de positionering van de daglichtopeningen blijft daarom bij elk project maatwerk”.

 

Naast het uitvoeren van daglichtberekeningen volgens NEN-2057 zijn er ook andere methoden om een gunstige daglichttoetreding te realiseren. Wat is eigenlijk de status van de bepalingen van het Bouwbesluit?
Veldman: “Het Bouwbesluit levert feitelijk de basis of ondergrens voor het realiseren van voldoende daglichttoetreding. De uiteindelijke verdeling van het daglicht in de ruimte is echter mede afhankelijk van een aantal andere factoren, waar de norm geen rekening mee houdt. Een andere benadering is die waarbij op verschillende punten in een ruimte de zogeheten daglichtfactor wordt berekend.”

 

Veldman: “Die factor geeft de verhouding weer van de verlichtingssterkte van een punt in een ruimte en de verlichtingssterkte in het vrije veld buiten onder een bewolkte hemel. Met daglichtfactoren wordt meer inzicht verkregen in de verdeling van het daglicht en wordt rekening gehouden met reflecties, maar om deze factoren te berekenen zijn wel computersimulaties noodzakelijk. Daglichtfactoren zijn steeds vaker terug te vinden als privaatrechtelijke eisen en worden ook gebruikt in het programma’s van eisen van bijvoorbeeld Frisse Scholen en in BREAAM. Ook in NEN 2057 heeft de werkgroep een informatieve bijlage opgenomen met vier daglichtambities voor een hogere daglichtkwaliteit.”

 

Tekst: Louis Jongeneel

Dit artikel verscheen eerder in Raam & Deur 6, december 2013

Afbeeldingen
Foto 1 William Veldman
Foto 2 Computersimulatie
Foto 3 Plattegrond van daglichtfactoren van een ruimte bij dag- en kunstlicht